Het begon allemaal in 1993 toen fietsmaatje Leo en ik op het idee kwamen om eens kennis te gaan maken met het
hooggebergte.
Tot die tijd hielden we ons alleen maar bezig met het fietsen in clubverband, af en toe een keertje
naar de heuvels van Limburg, en het rijden van klassiekers als Tilff-Bastogne-Tilff, Waalse Pijl en Gent-Wevelgem.
Ook leuk klimmen, maar het kon toch nooit zo moeilijk en lastig zijn als het oprijden van een serieuze berg?
In juni van dat jaar werd het fietsenrek op de witte Mitsubishi Colt van Leo gezet en de fietsen werden flink
vastgesnoerd.
Gewapend met een landkaart, een thermoskan koffie, krentebollen en een goed humeur vertrokken we richting de Franse Alpen.
Doel was het dorpje Bourg-d’Oisans, gelegen aan de voet van de “Nederlandse berg”, de Alpe d’Huez.
18 juni 1993
Aangekomen in Bourg-d’Oisans zochten we een verblijfplaats en die vonden we ergens boven een winkel.
Gemotiveerd tot op het bot besloten we meteen de Alpe d’Huez op te knallen. Het was inmiddels 16:00 en
bloedheet. Dapper reden we naar de voet en begonnen aan de 21 haarspeldbochten.
Na een aantal bochten was ik Leo kwijt en begon het steeds slechter te krijgen. Ik kwam bijna niet vooruit. In
het dorpje La Garde, net na bocht 17, stopte ik en besloot dat het vandaag geen zin had. Vroeg vertrokken,
vermoeid en slecht gegeten zijn geen basis voor een fatsoenlijke klim.
In de afdaling kwam ik Leo tegen. Die was hartstikke opgelucht en draaide ook meteen om. Beneden zei hij dat hij
al bang was dat hij helemaal omhoog zou moeten. Ook hij was moe en futloos.
Tijdens het avondeten zaten we als twee aangeslagen boksers de dag te overpeinzen. Zouden we het klimmen
onderschat hebben, of zou het allemaal nog goed komen?
19 juni 1993
Vandaag reden we inderdaad gewoon naar het skioord Alpe d’Huez. We genoten van de beklimming, telden de
bochten en kwamen trots, met kippevel op de armen, boven op de top. Wel moesten we nog even zoeken naar de
officiële finish, daar waar de Tour de France altijd finisht.
Die avond zaten we iets beter in ons vel en konden we genieten, onder het genot van een lekker biertje op een
lokaal terras, van onze eerste serieuze col. Dit was tevens het begin van een verslaving en talloze andere
fietsavonturen.
Vandaag 28 kilometer en 1100 hoogtemeters.
20 juni 1993
Vandaag gingen we voor onze eerste 2000+-col, de befaamde Col du Galibier. Op de kaart werden we afgeschrikt door
de tunnels op de Col du Lautaret en we besloten de auto te pakken en op te stappen na de tunnels. Dit betekende
dat er eerst een stuk Lautaret gefietst moest worden. Deze brede weg loopt lekker en is geen enkel probleem.
Boven op de Lautaret (2058 m) is het nog 9 km naar de top van de Galibier. Het eerste stuk loopt nog makkelijk,
maar dan is het uit met de pret. We maakten kennis met het begrip “ijle lucht” en happend naar adem
op de steile stukken van soms meer dan 10%. Overal lag sneeuw en langs de weg waren we omringd met aan de ene
kant sneeuwwallen en aan de andere kant diepe ravijnen.
Op een kilometer onder de top zagen we het monument voor Henri Desgrange, de oprichter van de Tour de France.
De laatste kilometer was verschrikkelijk steil en puffend kwamen we boven op 2646 m. Nooit was ik hoger geweest
dan hier. Daar was het genieten van het immense uitzicht.
Vandaag 70 kilometer en 2040 hoogtemeters.
21 juni 1993
Na zo’n prachtige ervaring gisteren was het nu de beurt aan de klim naar het ijzeren kruis, de Col de la Croix
de Fer. Ook dit is een col van boven de 2000 meter en het grafiekje in mijn “Atlas des Cols des Alpes”
gaf een aantal venijnige passages aan. De klim begint eigenlijk al bij het stuwmeer net na het plaatsje
Allemond.
Over het brugje en dan flink omhoog, totdat je na zo’n 5 km het plaatsje Rivier-d’Allemond bereikt.
Hier vlakt het af. Dat is echter maar van tijdelijke aard. Een aardverschuiving heeft de oude weg volledig doen
verdwijnen en daar heeft men een oplossing voor gevonden: je maakt gewoon een lusje via een andere bergwand en
zo kort mogelijk. Dat noemt men een “cascade” en dat gaat dik boven de 10%. Na deze cascade is het een
lekkere gelijkmatige klim rond de 6–7%. De Alpenweides zijn fraai groen en je kunt ver naar boven kijken.
Op 2 km onder de top is de afslag naar de Col du Glandon. Op de top van de Col de la Croix de Fer staat inderdaad
een ijzeren kruis en je kunt er wat eten en drinken in het bergrestaurant.
Deze col is tot op heden een van mijn favorieten: deze ligt me gewoon goed.
Vandaag 75 kilometer en 1830 hoogtemeters.
23 juni 1993
Na een rustdag in Chamonix met een bezoek aan de Mont Blanc, waar je met een gondel tot 3842 meter kunt komen,
vertrokken we naar een andere plaats, Bourg-St.-Maurice, om vanuit daar wat andere cols te beklimmen. Als eerste
stond de Col de l’Iseran op het programma.
De hoogte van deze col boezemt al meteen het nodige ontzag in: maar liefst 2770 meter hoog. Via het bekende
skidorp Val-d’Isère loopt deze klim omhoog door een overweldigend landschap met immense sneeuwwallen
en prachtige groene Alpenweides.
Na het aanhoren van mijn eigen gehijg door de ijle lucht kwam ik tevreden boven op 2770 meter. Alweer een nieuwe
mijlpaal.
Vandaag 65 kilometer en 1800 hoogtemeters.
24 juni 1993
Als toetje van deze week hadden we de Col de la Madeleine in het vizier. Dit was inderdaad een serieuze klus. De
hoogte van 1984 meter doet niet vermoeden dat deze col zo zwaar is. Onderweg wil een wat oudere vrouw in een auto
met NL-kenteken dat ik even stop. Ze vraagt enthousiast of ik Erik Breukink ben. Ik doe alsof ik gek ben en dat
gaat me redelijk goed af :)
Waarschijnlijk heeft ze haar hele familie in geuren en kleuren verteld dat ze Erik Breukink heeft gezien. Boven
geniet ik samen met Leo van de prestatie. We weten een onbekende man te strikken om wat foto’s van ons samen
te schieten.
Vandaag 50 kilometer en 1620 hoogtemeters.